Global Project & Change Management
Het verhaal moet veranderen
Ongelijkheid
Dit wereldbeeld heeft lang standgehouden en was de norm waarmee ik door de wereld heen liep. Pas later begon dit wereldbeeld te wankelen. Tijdens mijn opleiding Global Project and Change Management, en vooral tijdens mijn minor in Stockholm, begon het kwartje echt te vallen. In mijn tweede les van het vak Kolonialisme en Imperialisme bespraken we de hardnekkige veronderstelling dat sommige landen simpelweg minder zouden “kunnen” en daarom afhankelijk zijn van hulp. Dit was het verhaal dat ik tijdens mijn economielessen en geschiedenislessen op school had te horen gekregen. We leerden een verhaal van welvaart dat verspreid moet worden, en het idee dat sommige landen nou eenmaal nog niet zo welvarend zijn als wij en ons nog moeten inhalen en hard hun best moeten doen.
Maar toen kreeg ik een ander verhaal te horen, een verhaal over hoe deze armoede is ontstaan. Niet alleen werd het idee dat ik altijd had van ontwikkelingshulp doorbroken, maar ook de plek die ik altijd had geïdealiseerd en zag als mijn toekomstige baan bleek anders te zijn dan ik altijd had gedacht.
Ik zal je meenemen in de basis die dit inzicht bracht. Een van de meest hardnekkige ideeën die ik jarenlang heb geloofd, is dat armoede simpelweg bestaat, dat sommige landen nu eenmaal “achterlopen” in ontwikkeling. Het idee dat arme landen eigenlijk een soort kinderen zijn die nog moeten opgroeien. In die logica wordt hulp vanuit rijke landen niet alleen gezien als noodzakelijk, maar ook als moreel juist en solidair.
Maar wat als dit verhaal fundamenteel onjuist is? Wat als armoede geen natuurlijk gegeven is, maar het resultaat van historische en politieke keuzes? Om dat te begrijpen, moeten we terugkijken. In het jaar 1500 waren er geen significante verschillen in welvaart en levensstandaard tussen Europa en de rest van de wereld. De enorme ongelijkheid die we vandaag zien, is dus geen vanzelfsprekendheid, maar iets dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan. Kolonialisme, extractie van grondstoffen en ongelijke handelsrelaties hebben hierin een centrale rol gespeeld en deze structuren zijn nooit volledig verdwenen ze kregen alleen een andere vorm.
Vandaag de dag wordt vaak gewezen op ontwikkelingshulp als bewijs dat rijke landen bijdragen aan het oplossen van armoede. Jaarlijks geven deze landen ongeveer 128 miljard dollar aan hulp. Op het eerste gezicht lijkt dat een aanzienlijk bedrag, een teken van solidariteit. Maar dit cijfer vertelt slechts een klein deel van het verhaal.
Tegenover deze inkomende geldstroom staan namelijk veel grotere uitgaande stromen. Arme landen betalen vandaag de dag meer dan 200 miljard dollar per jaar aan rente aan buitenlandse schuldeisers. Sinds 1980 is dit opgelopen tot 4,2 triljoen dollar, geld dat grotendeels terechtkomt bij banken en financiële instellingen in steden als New York en Londen. Daarnaast onttrekken multinationale bedrijven enorme winsten uit het globale zuiden. Bedrijven zoals Shell in Nigeria of Anglo American in Zuid-Afrika halen grondstoffen uit deze landen en genereren daaruit winsten die nauwelijks lokaal blijven. In totaal nemen buitenlandse investeerders jaarlijks bijna 500 miljard dollar aan winst mee uit ontwikkelingslanden.
En dan heb ik het nog niet eens over een uitstroom die nog minder zichtbaar is: kapitaalvlucht. Dat is geld dat landen verlaat via bijvoorbeeld belastingontwijking, winsten die worden weggesluisd door multinationals of vermogen dat wordt gestald in belastingparadijzen. Sinds 1980 hebben ontwikkelingslanden hierdoor naar schatting 23,6 triljoen dollar verloren aan kapitaal dat wegvloeit naar het buitenland.
Wanneer je deze cijfers naast elkaar legt, ontstaat een heel ander beeld. Voor elke dollar aan ontwikkelingshulp die landen ontvangen, verliezen ze gemiddeld 24 dollar aan uitgaande geldstromen.
Deze ongelijkheid wordt verder versterkt door de manier waarop de wereldeconomie is ingericht. Hoewel handel officieel “vrij” is, hebben rijke landen een veel sterkere onderhandelingspositie. Multinationale bedrijven kunnen wereldwijd op zoek naar de goedkoopste arbeid en grondstoffen, waardoor landen in het globale zuiden gedwongen worden met elkaar te concurreren door lonen en kosten zo laag mogelijk te houden. Economen noemen dit “unequal exchange”: een systeem waarin waarde structureel van armere naar rijkere landen stroomt. In de jaren ’90 verloor het globale zuiden hierdoor jaarlijks naar schatting 2,66 triljoen dollar, 21 keer het totale budget voor ontwikkelingshulp.
Dit laat zien dat het verhaal waarin andere landen onze vorm van welvaart nog zouden moeten bereiken, en waarin ontwikkelingshulp landen uit armoede zou kunnen halen, gebaseerd is op een grote leugen. Want eigenlijk speelt er een heel ander verhaal af: namelijk van de realiteit dat ons huidige economische systeem helemaal niet voor de welvaart van iedereen kan zorgen. Want de hele reden waarom wij in het globale noorden deze welvaart hebben, is omdat ze die niet in het globale zuiden hebben. Ontwikkelingshulp is meer een soort pleister die geplakt wordt, terwijl de wond nog actief wordt opgesneden.
Daarmee wil ik niet zeggen dat alle ontwikkelingshulp direct slecht is. Maar de focus op hulp kan afleiden van de onderliggende structuren die ongelijkheid blijven produceren. En laat ons niet het echte verhaal zien, de realiteit waarin wij leven. We groeien dus op met een heel ander plaatje dan dat hierboven is geschetst. En dat is gevaarlijk. Want zolang wij dit verhaal blijven vertellen en geloven, zijn we niet alleen onderdeel van het probleem, maar hebben veel mensen dat niet eens door. En zolang dat zo blijft, zullen we doorgaan met de status quo, een systeem dat ongelijkheid verdiept en de exploitatie van mensen in stand houdt.
Dus dit verhaal moet veranderen, om het systeem te kunnen veranderen. Zoals Jason Hickel het zei in zijn boek The Divide: “When myths fall apart, revolution happens.”
Dus probeer ik dit verhaal te doorbreken. Dat doe ik sinds een jaar via mijn eigen blog, die ik ben gestart om dit soort mythes op een begrijpelijke manier bloot te leggen. Om inzicht te geven in dingen die we als normaal beschouwen, maar dat eigenlijk helemaal niet zijn. Daarnaast doe ik mijn afstudeeronderzoek naar sociale media en de rol die ze spelen in politieke opinievorming en stemgedrag. Ik probeer beter te begrijpen welke invloed sociale media hebben, en of ze onderdeel kunnen zijn van een nieuw verhaal, of juist niet. Ook voer ik bijna dagelijks gesprekken met mensen over dit thema. We drinken een koffietje of sturen elkaar veertig minuten lange voiceberichten om te sparren over nieuwe inzichten en informatie die we hebben opgedaan.
Maar ik wil ook eerlijk zijn: ik ben, net als waarschijnlijk velen van jullie, nog vaak op zoek naar antwoorden. Hoe dan? Welke rol moet ik hierin spelen? Daar heb ik dan duizenden ideeën over, maar één antwoord nog niet. Dus nee, ik heb geen verhaal over iets groots of spectaculairs dat ik al bereikt heb. Dat is niet mijn verhaal. Tenminste, nog niet. Mijn blog wordt op dit moment vooral gelezen door mijn opa en een paar vrienden. En straks ben ik klaar met mijn scriptie, maar eerlijk gezegd heb ik misschien wel meer vragen over de rol van sociale media dan toen ik eraan begon.
En dat is dus waar ik me momenteel vooral mee bezighoud: mijn stem vinden in dit verhaal, en mijn plek binnen die verandering. De afgelopen jaren is mijn hele wereldbeeld op zijn kop gezet. Alles waarvan ik dacht dat het vanzelfsprekend was, is veranderd, en daarmee ook mijn plan voor de toekomst. Dus de afgelopen jaren ben ik dingen gaan uitproberen: stage bij de gemeente om politiek beter te begrijpen, vrijwilligerswerk bij JEF, Youth European Federalist, of een minor in Stockholm en stage in Sarajevo, werken bij de Centrale medezeggenschap.
Mijn vervolgstap zal dan ook verder hierin zijn: verder leren, verder zoeken. Maar ook meer actie ondernemen en nu concreet werken en leren aan hoe ik aan deze verandering kan bijdragen. Dat begint bij mij hopelijk volgend jaar, waar ik mijn master International Politics aan Trinity College Dublin mag gaan beginnen met een specialisatie in onze globale politieke economie. Hier hoop ik echt kennis op te doen over niet alleen de manier waarop onze economie momenteel werkt, maar ook over hoe we deze veranderen. Ik ben van plan me te richten op de vraag hoe mondiale economische structuren ongelijkheid creëren, maar tegelijkertijd worden gepresenteerd als legitiem en onvermijdelijk. Ik wil begrijpen hoe beslissingen op internationaal niveau tot stand komen, wie daarin macht heeft, en het allerbelangrijkste: hoe deze systemen veranderd kunnen worden. Hierna hoop ik echt aan de slag te kunnen om dit narratief te veranderen.
Zoals Grace Blakeley schrijft: “Er zijn altijd mensen geweest met een verbeeldingskracht die sterk genoeg is om de scheuren in het huidige systeem te zien en te werken aan een andere wereld.” Ik wil zo iemand zijn: iemand die die scheuren ziet, benoemt en eraan werkt om een andere realiteit mogelijk te maken.